Religieuze teksten

Lichtweg

1

 

Ik was een meisje zoals meisjes zijn:

haren kammend, vlechtend, wegdromend

aan water en lachend om kleine

dingen; grote hoefden niet te komen.

 

Ik was niet mooi, ik had niet de fijne

trekken van een Joodse; ik was gewoon.

En zoals het ging, ook mijn

toekomst was bepaald, ik was beloofd.

 

2

 

Ik droomde op een nacht een kind:

een jongen met een hart zo zuiver

als licht en met ogen die verblindend

scherp door me heen keken. Ik huiverde

 

toen hij zag dat ook in mij het kwaad

te slapen lag. Hij bevrijdde me ervan

door zijn handen te laten rusten op mijn gelaat;

ze waren als stralen zon die doen verdampen.

 

3

 

We waren slapend wakker bij het vuur

dat hij was en zagen niet dat er rook

kwam van verkeerde kanten: zuur

geworden mensen vol haat waren er ook.

 

Op een geweten nacht werd mijn kind

door hen overmeesterd en verminkt. Hij leed

omdat het goede geen kwaad kan.

Ik bestierf in mijn slaap en baadde in het zweet.

 

4

 

Verder in mijn leven terug zouden

we gelukkig zijn en niet meer weten

welk lot het onze was. We vertrouwden

op God en op elkaar. Even waren we vergeten.

 

Dagen werden als mensen geboren, bloeiden

op en werden oud tot ze in iets verdwenen.

Wij waren jong: we werkten en groeiden

in sterkte, we aten en sliepen, zo was ons leven.

 

5

 

Een koning kwam kwaadaardig uit

niets: waanzin woonde in zijn ogen

en macht was zijn bruid. In zijn hoofd

stond kindermoord geschreven.

 

Kindermoord om die ene te doden

die koning van Joden zou heten.

Van angst verkankerde koning Herodes

die die koning van Joden zou haten.

 

6

 

Er trok een karavaan door een woestijn

van vrede, langs argwaan en kift,

op zoek naar iets nieuws dat moest zijn.

Licht was de gids.

 

Het waren wijzen die reisden naar het westen

om een ster zo helder als een pas

geboren kind. De ster zou niet rusten

voordat het nieuwe gevonden was.

 

7

 

Ze vonden ons in een stal waar de geur

van lammerslacht nog hing. Ze vielen

op hun knieën om een kind dat voer

leek in een voerbak: vlees en bloed voor mensen.

 

Ze zagen wat te zien was in de ogen

van mijn kind: het nieuwe, het oude, het grote.

Ze waren gelukkig als kinderen. En de vragen

die ze hadden waren ze op slag vergeten.

 

8

 

In mijn droom was ons huis een stal;

we waren de minsten onder de mensen:

we sliepen bij de os die er stond

en aten oud brood. Ik kende

 

het verhaal van de eersten en laatsten.

Wij waren de laatsten; we waren oud vuil

en werden gemeden als melaatsen.

De eersten hadden geen benul.

 

9

 

Herders waren in de buurt,

herders van goede lammeren.

Ze hadden gevoeld dat er een hart-

verscheurend kind geboren was. Met klamme

 

handen kwamen ze dichterbij. Schuchter

stonden ze in de staldeuropening stil

en keken naar binnen. Ze durfden

niet verder. De oudste schraapte zijn keel.

 

10

 

Ze hadden niet veel: een stok

om te steunen; het kleed dat ze droegen

had ze jaren van hoeden gekost.

Het was niet veel wat ze vroegen.

 

Maar hier, bij dit lichtkind

waren ze schatrijk. Ze zagen wat

niemand ooit zag en wisten

van harte dat het liefde was.

 

11

 

Ik denk dat ik van teveel liefde

wakker werd, het was groter dan ik kon dragen.

Ik werd overstroomd, ik was een rivier

die verdronk in groot water.

 

Ik lag snakkend naar adem

in een bed dat ik met moeite herkende.

Alles leek anders: de muren, de ramen,

mijn handen, tot ik mezelf weer had gevonden.

 

12

 

Ik heb het die dag licht zien worden.

Alsof ik het zelf was, zag ik de olijfboom

veranderen van grijs naar groen. De bergen

leken verzet, ik keek verder dan ooit.

 

Ik was een meisje zoals meisjes zijn:

zittend bij een raam en wegdromend

in het landschap, kijkend naar kleine

dingen, klaar voor het grote.